|
Artikel in "Knowledge" december 1995, nr. 5
(Knowledge is een uitgave van NOC*NSF, i.s.m. NFWS)
Paul Ruijsenaars
Als ik de deur open zwaai zie ik de smalle bekkies, de diepliggende ogen, die me met reserve aankijken, de schichtige blikken naar elkaar. Een kleedkamer met afgetrainde sporters? Nee, ik stapte de kamer binnen voor een groepstherapie met jongvolwassen verslaafden in een afkickprogramma.
Vanaf 1987 ben ik in de verslavingszorg werkzaam in het kader van deskundigheidsbevordering: cursussen, trainingen en supervisies voor diegenen die beroepshalve met verslavingsproblematiek te maken hebben. Een dankbare taak, omdat in beroepsopleidingen het onderwerp amper aan bod komt. Maar toch is het met verslaving net als met topsport: iedereen denkt te weten wat het is en iedereen heeft er een mening over, zelfs Chirac.
De afgelopen periode hebben beide fenomenen sterk in de publieke belangstelling gestaan: enerzijds verslavingsproblematiek, anderzijds de persoon die als (oud-)topsporter door het leven gaat. Het vormen in de media twee aparte aandachtsgebieden, maar de parallellen tussen die twee fenomenen zijn boeiend.
Stoppen met topsport: ook moeilijk
De serie gesprekken in de NRC met oud-topsporters over hun maatschappelijke carrière na de sport is niet alleen informatief ten aanzien van de diversiteit van de maatschappelijke sectoren waarin topsporters hun weg hebben gevonden.
In de gesprekken kijken ze ook terug op de problemen die ze hebben ondervonden op topniveau en op de weg daar naar toe. Ook zijn sommigen openhartig over de moeilijkheden die ze hadden om zich van hun actieve sportbeoefening op topniveau los te maken. Ze brachten bij mij de herinneringen terug aan de moeite die ik had om het basketballen op (inter-)nationaal niveau los te laten. Ik weet nog haarscherp dat ik in de eerste maanden als 'burgermens' met een grote boog om de Apollohal, de basketbaltempel van Amsterdam, heen fietste en de aanblik van de hal, mogelijk oogcontact met collega-sporters wilde vermijden. Ik weet ook nog hoe ik me voor deze en soortgelijke gedragingen schaamde: ik dacht: 'ik lijk wel gek'.
Later, toen ik als behandelcoördinator werkte in de verslavingszorg en van mijn cliënten allerlei concrete voorbeelden hoorde van hun afhankelijkheid, viel pas het muntje: toen ik gestopt was met basketbal had ik hetzelfde 'maffe' gedrag. In dit voorbeeld: als een cliënt eenmaal het besluit heeft genomen te stoppen met het gebruik van verslavende middelen, dan vermijdt hij de plaatsen waar dat gebruik mee verbonden is. Nervositeit en transpireren zijn bijvoorbeeld symptomen als hij toch bij zulke plaatsen in de buurt komt. Ik had na het basketballen ook symptomen die horen bij het loskomen van een afhankelijkheidssyndroom. Ik geef geen definitie van wat dat is: er zijn er inmiddels teveel van. Ik beperk me tot de presentatie van enkele aspecten van dat syndroom zoals die zichtbaar zijn in de sociale omgeving van zowel de topsporter als van de alcoholist, te weten: overeenkomsten in de interactiepatronen.
Interactiepatronen
Elke alcoholist heeft ongeveer 4 a 5 personen om zich heen in interacties die de verslaving in stand houden: "het alcoholische systeem". Die personen worden ook wel 'co-alcoholisten' genoemd.
Eén soort interactie (a) is: (A): "Ik heb hulp nodig, anders ga ik erg drinken." Dat sein wordt door een ander opgevat als: daar moet iets aan gebeuren: (B): "Ik moet hem hulp verlenen, anders gaat hij drinken." Dat interactiepatroon is complementair: de twee partijen vullen elkaar aan, raken aan elkaar vastgebakken, worden wederzijds van elkaar afhankelijk.
Een ander interactiepatroon (b) bij een alcoholist is (A): "ik drink omdat jij me laat barsten." En (B) alsmaar: "ik hou niet van je omdat jij drinkt". Deze relatie wordt gekenmerkt door een gelijkheid, een symmetrie: de een doet meer van het een (verwijten maken) en de ander doet meer van hetzelfde.
Je ziet de herhaling van steeds dezelfde reeks terugkerende interacties binnen het alcoholische systeem. Men noemt het dan een rigide systeem. Als beide types interacties lang genoeg doorgaan kan dat escaleren tot een grens wordt overschreden en een niveau wordt bereikt waarop het zo schadelijk wordt dat de interacties niet langer kunnen worden vol gehouden. Verloedering, uitputting, lichamelijke schade of nog erger en zijn de zichtbare symptomen van dat niveau.
Ook de topsporter heeft altijd een aantal mensen om zich heen, die betrokken zijn in interacties die bijdragen om hem op topniveau te krijgen en te houden. Die interactiepatronen zijn identiek aan de A/B-interacties:
Interactiepatroon (a): (C): "Ik maak gebruik van professionele hulp (trainer/coach, en/of sponsors, en/of faciliteiten en/of etc.), om mijn top te halen." (D): "Ik bied professionele hulp (en/of .. etc.), om hem de top te laten halen." C en D vullen elkaar aan, zijn wederzijds afhankelijk, ook om ieder voor zich de top te halen: als sporter en als trainer/coach/sponsor/enz.
Patroon (b): (C): "Door mijn talent en inzet op het veld zal ik de eerste/hardste/snelste, etc." En (D): "Door mijn talent en inzet langs het veld zal hij de eerste/hardste/snelste, etc." Allerlei competitieve interacties zijn inherent aan topsportbeoefening.
De overeenkomst tussen A en C (ook tussen B en D) is dat ze de bereidheid hebben om zich vergaand afhankelijk te maken van een ander. Het is voor een sporter onmogelijk de top te halen en daar te verblijven zonder topbegeleiding en zonder zich te onderwerpen aan zeer strenge leefregels. Arts Peter Vergouwen zei daarover in een NRC-artikel (10 sept. 1994): "topsporters moeten een strak leefregime aankunnen. Het eist zo onvoorstelbaar veel van je."
Een wezenlijk verschil tussen A en C is dat A niet doelbewust aan een afhankelijkheidsrelatie is begonnen en dat hij onbedoeld en onbegeleid afglijdt naar het niveau van disfunctioneren op alle gebieden van het leven. C daarentegen vertrouwt zich bewust toe aan degenen van wie hij verwacht dat hij daar het snelste op een niveau komt van top-functioneren. A en C komen beiden in een proces van escalaties in de interacties, waarbij ze steeds meer vrijheden moeten inleveren.
Het leefpatroon in hun beider situaties wordt alsmaar meer gedomineerd door één aspect: het drinken, respectievelijk het sporten. Andere levensgebieden gaan in elkaar grijpen, beheerst door het dominerende, en komen in een ondergeschikte positie.
De schuld, de eer
Omdat het gaat om circulaire, wederkerige effecten in een hele serie gedragingen is het onmogelijk om te spreken over een 'oorzaak-gevolg-relatie'. Dat blijkt ook in de hulpverleningspraktijk wanneer er wordt gezocht naar 'de oorzaak van het alcoholmisbruik', dan wordt dat door beide partijen direct herkend: dat doen ze ook al jaren! Zoeken naar de oorzaak is synoniem aan: zoeken naar de schuldige; geen van beiden zal mee werken aan dat vruchteloze werk: ze blijven naar elkaar wijzen, de oorzaak is nog nooit gevonden en er zal niks veranderen.
Bij tegenvallende prestaties hebben zowel C als D het er doorgaans moeilijk mee om er met de buitenwacht over te praten, die graag 'de oorzaken' wil horen en impliciet vraagt naar beschuldigingen. Twee mogelijkheden: ofwel het C/D-systeem is (nog) voldoende sterk, blijft trouw aan de interacties, ofwel de tegenslag betekent een zodanige escalatie van de relaties dat ze breken. Dan gaan de beschuldigingen over en weer en vallen de verhoudingen weg waarop de prestaties tot dan toe waren gebaseerd.
Andersom: ook succes is niet zonder risico's voor de relaties, respectievelijk voor de continuering van successen. Ook hierbij is er een parallel tussen de topsport en alcoholisme. Succes moet evenals tegenslag worden opgevat als prestatie van het hele systeem. Zodra bijvoorbeeld C zich succes eenzijdig toeëigent, worden de verhoudingen met D onder druk gezet. Risico: een te ver gaande escalatie. Een zelfvoldane uitspraak van de behandelaar van een alcoholist bij afname van drankproblemen wordt steevast afgestraft met zuipen.
Tot slot wil ik het type interacties met 'de dokter' niet onvermeld laten. In het NRC-artikel waarin Vergouwen werd gevraagd naar ervaringen uit zijn sportpraktijk noemde hij voorvallen met sporters die treffend overeenkomen met ervaringen met verslaafden: de arts die hun blessure (respectievelijk hun drankgerelateerde problemen) vandaag, liefst gisteren uit de wereld helpt, zeer veeleisend naar de medische begeleiding , terwijl er door sporters, samen met hun trainers, menigmaal wordt gezondigd tegen de adviezen van de dokter. De afhankelijkheid van een buitenstaander, de dokter, de therapeut, is voor het systeem van A/B en van C/D bijna onverdraaglijk. Die inmenging in het rigide systeem wordt louter getolereerd door er zeer hoge verwachtingen aan toe te kennen. De dokter mag zich niet bemoeien met de door drank gedomineerde leefwijze, maar moet alleen eventjes snel een paar probleempjes uit de wereld helpen.
Sportaholic?
Verslaving is een historisch en een cultureel bepaald begrip: het gehannes over het legaliseren van softdrugs heeft alles te maken met wat een samenleving op een zeker moment een acceptabel consumptiepatroon/verschijnsel vindt.
Maatschappelijk wordt de toewijding van de topsporter aan zijn sport niet als een verslaving beschouwd, en terecht. De term 'verslaving' heeft een negatieve connotatie en is voorbehouden voor een leefpatroon dat aantoonbaar schade berokkent voor de betrokkenen. Je kunt wel zeggen dat de sporter 'verknocht' is aan zijn sport: een positieve benaming voor zijn verbondenheid.
Je kunt aan alles verslaafd raken wat je lekker vindt: je behoefte aan eten, aan sex, aan spanning, aan rust, gokken, sport, computer(spelletjes), enz. Maar ook aan je behoefte om hard te werken, daarin een topprestatie te leveren. In sommige branches is de bereidheid om je privé-leven ondergeschikt te maken aan je baas/je werk min of meer een voorwaarde: de workaholic is een geaccepteerd fenomeen, in de zin dat hij niet wordt beschouwd schade toe te brengen aan het imago van het Nederlandse arbeidsbestel. Doorgaans ondervindt hij op levensgebieden in de privé-sector wèl schade ten gevolge van zijn manier van werken.
Maar moeten we dan analoog aan de workaholic de topsporters voor wie hun sport eveneens hun maatschappelijke activiteit is, 'sportaholics' noemen?
Kijkend naar de voorgaande overeenkomsten lijkt het dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. De rigide leefwijze, de afhankelijkheidsverhoudingen, de moeite met stoppen, enz. wijzen allen in die richting.
Echter, er tegenover staan wezenlijke verschillen. Het belangrijkste verschil is dat topsporter en begeleiding bewust en op een professionele wijze strenge verhoudingen met elkaar aan gaan. Daarbinnen liggen derhalve tevens aangrijpingspunten voor het op een professionele wijze omgaan met de problemen die inherent zijn aan zulke verhoudingen.
Het moeten presteren in rigide systemen maakt van topsporters wel een risicogroep voor verslavingen. Niet in de laatste plaats voor verslaving aan de eigen sport in die zin dat de grens wordt overschreden van wat maatschappelijk en medisch verantwoorde sportbeoefening is. Het is misschien een idee om deze gevallen met de term 'sportaholic' aan te duiden, mede ter differentieëring ten opzichte van de topsporters die op een verantwoorde manier met hun sport bezig zijn.
De ervaring leert dat niet geldt dat 'wie eenmaal verslaafd is altijd verslaafd blijft.' Maar evenmin is het zo dat wie vandaag niet verslaafd is het morgen niet kan worden. De praktijk van en de theorievorming over verslavingen en afhankelijkheidspatronen kunnen mijns inziens goed worden benut bij beleid en praktijk in de topsportsector: bij de begeleiding van het stoppen met de actieve sportbeoefening, maar ook bij de topsporter die in zijn carrière tegenslag ondervindt en in de put zit. Professionele aandacht en zorgzaamheid ten aanzien van de afhankelijkheidsverhoudingen kan preventief werken, ter voorkoming van de situatie, waarin de sporter zich schade berokkent, deskundige adviezen in de wind slaat, waardoor ook de maatschappelijke waarde van de sport en van de topsport geweld wordt aangedaan.
|
|
|