Manifest 'Stop de dopinginquisitie!'
|
In het café, op verjaardagen en via de publiciteitsmedia neemt de nette burger kennis van lucratieve vormen van criminaliteit. Fraude is nu eenmaal onderdeel van het menselijk functioneren. Die nette burger put troost uit de hoop dat de misdadige profiteurs tegen de lamp lopen. Het is een schrale troost want velen ontspringen de dans, dat is hem bekend uit de publiciteit. Maar als hijzelf nou maar die nette burger blijft, loopt hij niet het risico van verdachtmakingen en strafvervolging. Het is een vereenvoudigde schildering van de maatschappelijke verhoudingen, maar dekt in z’n eenvoud toch ongeveer de feitelijke situatie. Slechts voor één categorie burgers geldt deze situatie niet: de beroepssporters. Vervang in de bovenstaande alinea ‘nette burger’ door ‘integere professionele sporter‘ en de vergelijking omtrent verdachtmakingen gaat mank, met name als het handelt om de meest aansprekende zonde die de sport kent, het veronderstelde dopinggebruik. Iedere (professionele) sporter wordt bejegend als een potentiële fraudeur, als een verdachte. Door zowel het IOC, de dopingautoriteiten als de betrokken sportbonden. Het bestrijden van dopinggebruik is ontaard in een jacht op alle topsporters. De persoon alsmede zijn leef- en werkomgeving worden al bij de geringste verdenking aan de schandpaal genageld. Het werd hierboven al terloops vastgesteld: fraude hoort bij het leven. Neem het aantal IOC-leden dat de laatste jaren wegens vergrijpen op dit vlak de organisatie moest verlaten. Veel meer IOC-leden dan topsporters zijn procentueel betrapt op fraude. Maar het IOC treedt haar eerbiedwaardige leden in de verste verte niet met dezelfde argwaan tegemoet als die ordinaire topsporters. Wereldwijd is langzamerhand bij alle organisaties die de sport in een of andere vorm representeren het besef verdwenen dat sport begint met sportbeoefenaren en dat daaruit voortvloeiend de behoefte is ontstaan aan bonden, koepels en wedstrijdorganisatoren. De concurrentie van die lichamen om de grootste, machtigste, rijkste te zijn of te worden heeft ook nog eens geleid tot een ongezonde rivaliteit die de belangen van de sporters waarom het gaat nog meer naar de achtergrond dringt. Dat zonder sporters het bestaan van bijvoorbeeld, IOC, ASO en UCI overbodig is, wordt in die kringen allang niet meer beseft. Die toch eenvoudige conclusie zouden de betrokken topsporters zich ook eens moeten realiseren. Zij zijn de belangrijkste partij om de bedrijfstak topsport vorm te geven. Wat dat betreft kunnen ze een voorbeeld nemen aan hun recreatief ingestelde zusters en broeders die zich in grote getale hebben afgewend van de georganiseerde sport. “Gans het raderwerk staat stil als uw machtige arm dat wil!” Als één beroepsgroep in staat moet zijn dat solidariteitscriterium in de praktijk te bewijzen, zijn het de topsporters. Dwangarbeiders Het noemen van de internationale wielrenunie (UCI) en de organisatie van de Tour de France (ASO) zal ook de laatste lezer doen beseffen wat de directe aanleiding vormde voor onze boodschap. Wat onverlet laat dat de hier gesignaleerde wantoestanden zich bepaald niet beperken tot het wielrennen. Maar nu dus even nadrukkelijk aandacht voor de Tour de France, de arena voor de dwangarbeiders van de weg en etalage voor partijen die de macht over het hardfietsen op zo’n breed mogelijk terrein willen veroveren. Het meest zorgwekkende is dat ze zich manifesteren als moraalridders, met de pretentie dat als zij aan de macht komen of blijven er een zuivere sfeer zal ontstaan. De laatste Tour de France bood een voorproefje van betekenis en gevolgen van die ambitie. Dopingcontroles voor en tijdens de Tour hebben duidelijk gemaakt dat renners geen aanspraak meer kunnen maken op welk recht dan ook. ‘Dopingjagers’ is de term waarmee de controleurs worden aangeduid. Iedere wielrenner is verdachte. Wie vandaag zijn onschuld bewijst, moet morgen beschikbaar zijn voor de volgende controle. Wie aangeschoten is door de dopingjagers werd en wordt door hen, door de sportorganisaties en de werkgevers (sponsors) behandeld als uitschot. Met als dieptreurige apotheose het uit de wedstrijd nemen van de gele truidrager op basis van mogelijk jokken, maar in strijd met zijn recent ondergaan van zeventien controles die allemaal aantoonden dat het slachtoffer géén doping had gebruikt. Duidelijker kan niet worden aangetoond dat de regelgeving op zich belangrijker is geworden dan het doel van de regelgeving. Tot zover de ‘nieuwe Tour’, die de huidige machthebbers voor ogen staat. Het beeld van een nieuwe toekomst gebaseerd op een gruwelijk verleden. Want de behandeling van sporters door dopingjagers is sterk verwant aan de inquisitie die zo’n achthonderd jaar geleden talloze slachtoffers maakte. Vervang het begrip doping door de frase ‘ketterse opvattingen’, controleurs door inquisiteurs en de kerkelijke autoriteiten die de inquisiteurs aanstelden als IOC, dopingautoriteiten, betrokken sportbonden alsmede organisaties zoals ASO en de vergelijking is rond. Middeleeuwse praktijken Laten we de parallellen tussen die middeleeuwse ‘rechts’praktijken en de ‘zuivere’ intenties van de hedendaagse sportbestuurders waar het gaat om de dopingproblematiek nog even nadrukkelijker vergelijken. De topsporter is op het terrein van de dopingbestrijding een rechteloos burger. De wijze waarop hij wordt bejegend is strijdig met de elementaire rechten van de mens. Zorgvuldige rechtspraak ontbreekt want er bestaat een onwettige functieverstrengeling van regelgever, regelhandhaver en rechter. De verplichting voor topsporters om zich over de hele wereld voor controleurs beschikbaar te houden, staat in geen verhouding tot aard en omvang van het dopinggebruik. Voor topsporters bestaat geen privacy, zij worden per definitie verdacht. De presumptio innocentia bestaat niet: men is op voorhand verdacht en bij twijfel moet de onschuld worden bewezen. En als we dan toch gewichtig bezig zijn: “in dubio pro reo” is in de procedures nooit toegelaten en dat geldt ook voor het “ne bis in idem” ( ‘strict liability’: geen verdediging mogelijk). Verzachtende omstandigheden worden net als alle andere nuanceringen uitgesloten van de rechtsgang. Ook de wanverhouding tussen straf en vergrijp hoort thuis in deze opsomming. Een Berufsverbot gedurende langere tijd is de dreigende strafmaat die in vele gevallen het einde betekent van de gekozen carrière. En dan is er nog de parallel van het volksgericht: sommige publiciteitsmedia bedienen hun klanten door sporters gretig op te hangen aan de hand van verdachtmakingen, waar in de middeleeuwen het volk toestroomde bij executies op basis van dezelfde inferieure grondslag. De publiciteitsmedia houden zich met de dopingproblematiek bezig op een wijze die zich beweegt tussen stemming maken en inquisitie. Persconferenties verworden tot tribunalen, waarin de sporter zich moet verdedigen. Enig inzicht in de materie ontbreekt nogal eens en dan blijft het al helemaal bij opgeklopte incidentenjournalistiek. Voor alle duidelijkheid: wij houden hier geen pleidooi voor het vrijgeven van doping. We beschouwen doping als een van de gebieden waarop reglementering en sanctionering nodig is, maar wel een eigentijdse, moderne reglementering. Met het recht voor de beschuldigde om zich als elke andere burger te mogen verdedigen. En met een proportionele strafmaat, bijvoorbeeld afgezet tegen levensgevaarlijke manoeuvres tijdens sportbeoefening, die veel minder ernstig worden bestraft. Perspectief Sportorganisaties wimpelen kritiek op hun handelen af met het argument dat de sport zijn eigen regels stelt. Maar die tijd is geweest, want hedendaagse wetgeving biedt perspectieven tegen middeleeuwse praktijken. Zo noemt de de Belgische jurist Jean-Louis Dupont – befaamd door de zaak Bosman die leidde tot het openbreken van het transfersysteem in het betaald voetbal – dat die zogenaamde sportuitzondering ‘dood en begraven is’. Tot die vaststelling kwam hij na de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg vorig jaar juli in de zaak Meca-Medina. Een uitspraak waaraan Frank Kuitenbrouwer, juridisch medewerker van NRC-Handelsblad, op 7 augustus van dit jaar uitvoerig aandacht besteedde onder de titel ‘Het nieuwe wielrennen’ De zaak ging over de schorsing gedurende 4 jaar (later teruggebracht tot twee jaar) voor dopinggebruik door twee professionele langeafstandszwemmers. De sporters voerden aan dat deze straf in strijd was met het EU-over het vrij verrichten van diensten. Het Hof verwierp de stelling dat het dopingverbod een louter sportieve aangelegenheid is die zou vallen buiten de regels voor economische activiteiten. De rechter mag wel degelijk beoordelen of de repressieve maatregelen ook echt noodzakelijk zijn in relatie tot sportwedstrijden. Twee knelpunten benadrukte Het Hof: de afbakening van wat verboden middelen zijn en de extreem zware straffen. Het was een uitspraak die kracht bijzet aan het betoog van dr. Janwillem Soek, verbonden aan het T.M.C. Asserinstituut voor internationaal recht. In zijn proefschrift The Strict Liability Principle and the Human Rights of Athletes in Doping Cases keert Soek zich tegen de te ver doorgevoerde risicoaansprakelijkheid van sportlieden in dopingzaken. In feite is het voor hen onmogelijk zich behoorlijk te verweren. Daarnaast beseft hij ook dat een appèl op het verantwoordelijkheidsbesef van sportlieden niet altijd toereikend zal zijn. Regels zijn nodig. Maar in de huidige situatie is de verhouding tussen aanklager en beschuldigde volstrekt ongelijkwaardig ten nadele van de laatste. Dat druist volstrekt in tegen het Europees verdrag voor de mensenrechten, dat een rol speelt bij het Hof in Luxemburg. Om dit juridisch getinte gedeelte van ons manifest af te sluiten, citeren we de slotzin van de column van Kuitenbrouwer: ‘een moderne inquisitie vormt een wankele basis voor het nieuwe wielrennen.’ Toezichthoudende taak Het machtsvertoon van de nieuwe inquisiteurs tijdens de Tour vormt een uitgelezen momentum voor een krachtig samenwerkingsverband van sporters, met hun werkgevers samen met hun sponsors om zich teweer te stellen en liquidatie van de inquisitie te verwerkelijken. Nationale en Europese overheden moeten door dat samenwerkingsverband gewezen worden op hun volledig tekortschieten in hun toezichthoudende taak als het handelt over het met voeten treden van elementaire mensenrechten. Wanneer vinden die het tijd worden voor een eigentijds sportbeleid?? De intentie van de ondertekenaars van dit manifest is dat perspectief vorm te geven. Terzijde: In het jaar 2000 heeft de Paus aan de mensheid vergiffenis gevraagd voor de fouten die de Katholieke Kerk in het duistere verleden heeft gemaakt. Maar de Olympische inquisitie onder leiding van paus Pound van het IOC en alle kardinalen bij de internationale sportbonden achten zich niet verplicht verantwoording af te leggen aan de moderne samenleving. Wij willen dat geen 800 jaar laten duren.
Paul Ruijsenaars, oud-basketbalinternational, eigenaar coachings- en adviesbureau in Utrecht, bestuurslid ProProf, vakbond profvoetballers, secretaris sectiebestuur Marathon, KNSB; Hidde van der Ploeg oud volleybalinternational en oud-coach van de nationale mannen volleybalploeg, als (sport)verslaggever van NRC-Handelsblad hield hij zich intensief bezig met het thema doping in de sport; Henk Kraaijenhof, topsportcoach; Egbert Lambers, advocaat, wielerliefhebber; Loek Jorritsma, voormalig Hoofdambtenaar directie Sport, Ministerie VWS; Janwillem Soek, onderzoeker verbonden aan het Asser International Sports Law Centre te Den Haag en auteur van de dissertatie “The Strict Liability Principle and the Human Rights of Athletes in Doping Cases” (enthousiast handboogschutter) Jan Rijpstra, burgemeester en oud tweede kamerlid, sportbestuurder; Harm Swierenga, senior managing consultant Berenschot, bestuurslid ProProf, vakbond profvoetballers; Peter Winnen, oud-profwielrenner, publicist; Frank van den Wall Bake
|